Stikstofbemesting zetmeelaardappelen
Algemene bemestingsrichtlijn
| Kg N/ha = 275 – (1,8 x Nmin in de laag 0-30 cm) |
NB. Dit is een landbouwkundige richtlijn. Let op de gebruiksnorm.
- Gebruiksnorm 2020 en 2021 = maximaal 240 kg N/ha op de klei, 230 op veen en noordelijk, westelijk en centraal zand, 184 op zuidelijk zand en löss.
- Bij vaststelling richtlijn is rekening gehouden met knolopbrengst en onderwatergewicht.
- Deel de gift in tweeën, 75% bij poten en 25% ten tijde van de knolzetting.
- Voor berekende giften kleiner dan 30 kg N per ha gelden de volgende richtlijnen: gift = 30 kg als berekende gift tussen 1-29 ligt óf als berekende gift < 0 in combinatie met een Nmin<250. Is de berekende gift < 0 in combinatie met een Nmin>250 dan is de richtlijn 0 kg N.
- Voer vanaf het vroegrijpheidscijfer van 4.5 een rasspecifieke korting op de N-gift door van 20 kg N per hectare per 0,5 punt vroegheidsverschil. AIs voor een ras geen vroegrijpheidscijfer bekend is, hanteer dan op basis van de vroegrijpheidsbeschrijving een korting van 20 kg N/ha voor late rassen en 60 kg N/ha voor zeer late rassen.
| Vroegrijpheidscijfer van een aantal zetmeelaardappelrassen | |
|---|---|
| Ras | Vroegrijpheidscijfer |
| Actaro | 3.5 |
| Altus | 3.5 |
| Avarna | 3.0 |
| Aventra | 4.5 |
| Axion | 4.0 |
| BMC | 3.5 |
| Festien | 3.0 |
| Merenco | 2.5 |
| Novano | 3.5 |
| Saprodi | 3.5 |
| Sarion | 3.0 |
| Seresta | 5.0 |
| Simphony | 3.5 |
| Supporter | 4.0 |
| Korting op N-gift na onderwerken goed ontwikkelde groenbemester (opname circa 80 kg N in bovengrondse delen) | |||
|---|---|---|---|
| Type groenbemester | Onderwerken/afsterven in de herfst (met N-min meting in voorjaar) | Onderwerken/afsterven in de herfst (zonder N-min meting in voorjaar) | Onderwerken in het voorjaar (vóór half maart) |
| Kruisbloemigen (bladrammenas, gele mosterd, bladkool) | 0 | 30 | 40 |
| Vlinderbloemigen (klaversoorten, wikke) | 40 | 60 | 60 |
| Grasachtigen (raaigrassen, winterrogge) | 20 | 30 | 40 |
| Korting op N-gift na onderwerken diverse oogstresten in herfst/winter en na scheuren grasland | |||
|---|---|---|---|
| Type oogstrest | N-nawerking 1e jaar (kg/ha) | N-nawerking 2e jaar (kg/ha) | N-nawerking 3e jaar (kg/ha) |
| Graan- en korrelmaisstro | 0 | 0 | 0 |
| Gewasresten van prei, knolvenkel en rode bieten | 20 | 0 | 0 |
| Gewasresten van bloemkool, broccoli, boerenkool en sluitkolen | 30 | 0 | 0 |
| Gewasresten van spruitkool | 40 | 0 | 0 |
| Bietenblad | 30 | 0 | 0 |
| Luzerne 1) | 75 | 65 | 25 |
| Gescheurd grasland :1) | | ||
| - 1-jarig | 50 | 0 | 0 |
| - 2-jarig | 100 | 0 | 0 |
| - 3-jarig en ouder | 100 | 30 | 0 |
| 1) Bemest u op basis van een Nmin-monster, ga er dan vanuit dat circa 1/3 van de bemestende waarde tot uiting komt in een hogere Nmin-voorraad in het voorjaar terwijl 2/3 gedurende het groeiseizoen tot beschikking komt voor het gewas. | |||
Bron: Commissie Bemesting Akkerbouw/Vollegrondsgroenteteelt, Wageningen UR, OCI Agro

