Zwavelbemesting op zandgrond belangrijk voor tweede snede
Zwavel (in de vorm van sulfaat) is uitspoelingsgevoelig; vooral percelen op zandgrond hebben na een natte winter/voorjaar zwavel nodig om goed te produceren. Hebben zulke percelen voorafgaand aan de eerste snede geen zwavelbemesting gehad of was deze gift minder dan 50 kg SO3 per ha, geef dan in de tweede snede 35-50 kg SO3 per ha voor een betere opbrengst en graskwaliteit. Overleg met je adviseur wat in jouw situatie de best passende S-houdende meststof is.
Dierlijke mestgift tweede snede
Als er nog mest moet worden uitgereden, zorg dan voor een goed werkresultaat. Dit betekent bij zodenbemesting dat de mest volledig in de sleuf zit en bij sleepvoetbemesting (50% verdund) goed tussen het gras. Dit zorgt voor de hoogste stikstofwerking van de mest en voorkomt dat mest met het gras mee omhoog groeit en bij maaien in de graskuil terechtkomt. Vaak is de grasopname door weidend vee kort na mesttoediening lager dan bij geen mest en dat wordt nog versterkt indien er mestdeeltjes aan het gras zijn blijven kleven na een slecht werkresultaat bij mesttoediening. Geef daarom alleen mest op percelen die de tweede snede zullen worden gemaaid en beperk de gift tot maximaal 20 m3/ha.
Andere belangrijk zaken voor de tweede snede zijn:
- Bemest binnen maximaal 10 dagen na maaien eerste snede
- Dien mest en kunstmest niet op dezelfde dag toe, maar laat hier een paar dagen tussen zitten.
- Gebruik een goed afgestelde strooier; giften voor een weidesnede zijn soms minder dan 100 kg product per ha. Doe bij twijfel een afdraaiproef. De korrelgrootte van meststoffen kan verschillen, houd daar rekening mee bij het afstellen.
- Bufferstroken mogen niet bemest worden. Het is ook zonde om kunstmest onder de afrastering door te strooien. Gebruik daarom kantstrooi-apparatuur om exact te kunnen strooien.
Op percelen met een hoog zwavel leverend vermogen zoals de veengronden is normaal gesproken geen aanvulling met zwavel nodig.
Bron: Meststoffen Nederland, OCI



