Drijfmest aardappelen: kies je voor rundvee- of varkensmest?
Drijfmest aardappelen vraagt om een bewuste keuze tussen rundveedrijfmest en varkensdrijfmest, afhankelijk van ras, bodem en stikstofbehoefte. Er worden nu volop aardappelen gepoot. Het lijkt erop dat er dit voorjaar meer drijfmest vóór het poten wordt uitgereden; vooral op NKG-percelen, maar ook op geploegde percelen. Zeker nu er nog geld wordt toegegeven is drijfmest een goedkope bron van de benodigde nutriënten. Het standvastige weer op dit moment ook een argument voor een drijfmestkeuze; er staat weinig druk op het pootproces en er kan worden gewacht op de mestaanwending. Welke mestsoort kies je echter?
Rundveedrijfmest past goed bij middenlate frietrassen. De meer organisch gebonden stikstof in de mest heeft meer tijd nodig om te mineraliseren tot opneembare N. Bij het wat langere groeiseizoen wordt de N-werkingscoëfficiënt (N-wc) van 60% op de kleigronden wel gehaald. Rundveedrijfmest heeft bij emissiearme aanwending overigens wel een iets lagere werking dan varkensdrijfmest. Tevens zit er in verhouding meer direct beschikbare N in varkensdrijfmest. Bij een krappe N-norm in de NV-gebieden heeft varkensdrijfmest daarom een lichte voorkeur. In de praktijk zijn er echter ervaringen dat bij gebruik van vrijwel alleen varkensdrijfmest in het bouwplan de bewerkbaarheid en ook de rooibaarheid minder wordt. Op de zwaarder gronden (> 20% lutum) wordt dit soms weer gecorrigeerd door 3-5 ton gips per ha te geven.
N-overbemesting met kunstmest
Geef op de zwaardere gronden via kunstmest de resterende N-gift voor opkomst. Het is belangrijk dat het veld zo snel mogelijk dicht komt. Reserveer op de lichtere gronden (ca. < 20 % lutum) een deel N voor een knolzettingsgift en bij zeer lichte zavel (< 12% lutum) naast een knolzettingsgift mogelijk nog ca. 27 kg N/ha (100 kg KAS) dat in juli kan worden gegeven. Op de lichte gronden waar de loofontwikkeling snel gaat is het juist belangrijk om het loof zo lang mogelijk groen te houden. Een kleine laatste gift voor augustus ondersteunt het langer groenhouden.
Aanvullende P-gift vóór poten
Fosfaat uit varkensdrijfmest is voor 100% direct toe te rekenen aan de teelt die volgt na toediening. Bij rundveemest is de directe werking 60%, de resterende 40% komt later vrij. Als de drijfmestgift, ook bij de lagere werking, het landbouwkundig advies al overschrijdt, is er uiteraard geen aanvullende P-kunstmest meer nodig. Moet er op basis van het bemestingsplan nog wel een aanvullende P-gift worden gegeven, geef deze dan altijd vóór het poten zodat het fosfaat ingewerkt wordt.
Geen onderscheid tussen verse en al aanwezige kali
De kali in dierlijke mest is voor 100% direct werkend. Kali bindt zich aan het klei-humuscomplex (CEC) en spoelt vrijwel niet uit. Alleen op de zeer lichte zavel kan er tot ca. 25 kg K2O per jaar in- of zelfs uitspoelen. Kleigronden hebben een hogere CEC. Dit betekent dat de kali van een mestgift, die vóór de winter op de kleigronden is toegepast, ook voor 100% beschikbaar is. Dit geldt eveneens voor de recente mestgift. Geef de op basis van het bemestingsplan nog aanvullende kali als kunstmestkali tijdens het groeiseizoen. Het is voor de gewasopbrengst niet nodig om méér dan het gewasgerichte advies te geven. Een plant maakt geen onderscheid tussen zogenaamde “verse” kali en de kali die reeds in de wortelzone aanwezig is.
Bij de kleigronden kan er ook gekeken worden naar de K-balans op bouwplanrotatieniveau; oftewel hoeveel kali er uiteindelijk nodig is om de K-toestand van de bouwvoor over meestal 4 jaar (de cyclus van het bouwlandonderzoek) op niveau te houden. Bereken het verschil van alle gewasgerichte adviezen in deze jaren t.o.v. de kali die nodig is voor de K-balans over deze 4 jaar. Geef de benodigde extra kali, om de balans in evenwicht te houden, aan kalibehoeftige teelten. Aardappelen is hier een goed voorbeeld van. Let bij die teelt bij de keuze van de kalimeststof wel op de raseigenschappen. Een chloorhoudende kali (bijv. Kali-60 of de NK 16+0+30) werkt positief bij rassen die blauwgevoelig zijn of gevoelig voor rooibeschadiging en/of een relatief hoog onderwatergewicht hebben (OWG). Rassen met een laag OWG zijn beter af met chloorarme kali (kalisulfaat of Patentkali), al hoeft 100-150 kg chloor per ha nog geen probleem te zijn.
Bron: Delphy



