Groenbemester als mineralenbinder en stikstofbron voor volgend teeltjaar
De teelt van een groenbemestingsgewas biedt de mogelijkheid mineralen in de herfst en winter vast te leggen tot het moment dat de groenbemester wordt vernietigd en verteerd is door het bodemleven. Onder invloed van bodemtemperatuur en vocht komen deze mineralen dan in het voorjaar weer vrij vanaf ongeveer medio mei. Hoeveel stikstof er bijvoorbeeld uiteindelijk beschikbaar is, is afhankelijk van diverse factoren te beginnen bij diverse teeltmaatregelen. We zetten er een paar op een rij.
Te binden stikstof
Gewassen zoals aardappelen en uien laten na afloop van de teelt veel ongebruikte stikstof achter in de bouwvoor. Dat is niet alleen een kwestie van te “ruim” bemesten, maar ook een teeltkundig gegeven. De stikstofefficiëntie van gewassen is namelijk min of meer genetisch bepaald. Onderzoek van NMI/Smit uit 1994 gaf bijvoorbeeld voor aardappelen een stikstofefficiëntie van 0,55. Voor uien was dat nog minder met 0,44. Veel nieuwere aardappelrassen geven wel een verbetering van de stikstofefficiëntie, maar deze verbetering is beperkt.
Rekenvoorbeeld
Bij 50 ton aardappelopbrengst onttrekt een aardappel ongeveer 190 kg N uit de bodem. Dan zou er dus 345 kg N in de bodem beschikbaar moeten zijn gedurende het seizoen. Dit geldt met name bij slecht wortelende rassen zoals bijvoorbeeld Innovator.
Voor betere rassen die minder stikstof nodig hebben (bijvoorbeeld Agria) is de efficiëntie wel beter door een beter wortelgestel. Deze komt dan op een efficiëntie van zo’n 65-70% uit. Daarmee is dan nog maar zo’n 265 kg N nodig in totaal. Dat is dan weer positief op hoeveel N er ongebruikt na de oogst nog in de bouwvoor achterblijft.
In het rekenvoorbeeld blijft dus in theorie 155 kg N en 75 kg N ongebruikt achter na de aardappelteelt.
Optimaliseren mineralenbinding
Om uitspoeling of denitrificatie van deze achtergebleven stikstof in de win
termaanden te voorkomen, spelen groenbemesters een belangrijke rol. De mate van mineralenvastlegging is onherroepelijk afhankelijk van het zaaimoment en de ontwikkeling die de groenbemester nog kan doormaken voordat de groei stopt.
Groenbemesters die in de herfst al ondergeploegd worden, zijn normaal gesproken in de wintermaanden al verteerd. Stikstof die daaruit vrijkomt kan dan wel vanaf dat moment uitspoelen of denitrificeren als het in het laatste deel van de winter erg nat is op het veld. Een deel blijft echter wel beschikbaar voor het volgende gewas. Groenbemesters die de winter over worden geteeld en in het voorjaar worden omgeploegd, hebben minder verlies van mineralen dan de herfst geploegde groenbemesters. Nadeel van het omploegen in het voorjaar is dat de resten wel eerst moeten verteren voordat ze weer stikstof gaan leveren. Bovendien kost deze vertering in eerste instantie stikstof. Hou daar dus goed rekening mee bij het bouwplan en de geplande bemesting.
Daarnaast kan in kader van de mate van nalevering nog gespeeld worden met de zaaihoeveelheid van de groenbemester. Bij een lage hoeveelheid zaaizaad per ha zal de groenbemester of het mengsel zich grover ontwikkelen. De grovere delen verhouten vaak wat makkelijker, waardoor de C/N verhouding hoger is. De vertering van deze resten duurt dan ook langer dan wanneer er meer gezaaid wordt. Dunnere planten zijn in verhouding minder verhout en relatief meer waterig, waardoor de vertering sneller verloopt.
Regeren is vooruitzien!
Bron: Delphy



