Kali voor aardappelen: is een extra gift nog nodig?
In de praktijk wordt er in deze periode nog wel eens gepraat over een verse kaligift. Is deze echter wel nodig en zo ja, in welke vorm geef je de kali dan? We zetten een aantal afwegingen voor je op een rijtje.
Het maakt voor de plant niet uit of het opneembare kalium (K+) vanuit de bodem komt (vanaf het klei-humus-complex of CEC) óf direct is afkomstig van een kaligift. Wat dat betreft is de term “vers” misplaatst. Sterker nog, de K-toestand is voor de gewasopbrengst belangrijker dan de K-gift. Wel heeft de vorm waarin de kali wordt gegeven invloed op het onderwatergewicht (OWG) van de aardappelen.
Chloor drukt de drogestofproductie en verlaagt daardoor het OWG. Een lager OWG verlaagt de blauwgevoeligheid (stootblauw) van de aardappelknol. Aan blauwgevoelige rassen wordt daarom bij de knolzettingsgift onder andere de chloorhoudende NK 16-0-30 of een enkelvoudige chloorhoudende kali-meststof gegeven. Bij frietrassen is voor de bakkwaliteit minimaal een OWG van 360 vereist. Geef in dat geval een chloorarme kali (o.a. kaliumsulfaat).
Noodzaak kali
Stel echter altijd eerst de vraag of er wel kali nodig is. Kalium uit dierlijke mest is voor 100 % beschikbaar. In de praktijk wordt daar niet altijd rekening mee gehouden; kalitoestanden zijn in het algemeen de laatste tientallen jaren gestegen. Alleen bij lage kali-toestanden met de waardering ‘laag’ en ‘vrij laag’ (bijv. bij kali-fixerende kleigrond) is het nodig om in het teeltseizoen (vanaf herfst vorig jaar t/m het groeiseizoen dit jaar) kali te geven. Bij kali-fixatie is het verstandig om een deel van het kali-advies te reserveren en juist tijdens het groeiseizoen (na opkomst) te geven.
Een goed bemestingsplan of -advies houdt naast deze factoren ook rekening met de kali-balans in het bouwplan. Is het voor de balans, door een hogere afvoer dan aanvoer, nodig om nog kali te geven, dan is de aardappel wel het akkerbouwgewas waar deze kali het beste kan worden gegeven.
Bron: Delphy



