Bijbemesting aardappelen op zandgrond: verdeel de stikstofgift
Door het droge voorjaar heeft er een vroege en intensieve inzet van drijfmest plaatsgevonden. Inmiddels zijn voor de meeste percelen de mineralengehaltes bekend. In combinatie met de definitieve aangifte voor de Gecombineerde opgave 2026, is het nú het juiste moment om de stikstof- en fosfaatgebruiksruimte te berekenen. Een tijdige prognose van deze ruimte voorkomt knelpunten in de bijbemesting later in het seizoen.
De aardappelen bevinden zich richting de knolzettingsfase. Dit is het moment om te beoordelen of aanvullende bemesting nodig is voor een optimale gewasontwikkeling. Door aangescherpte stikstofnormen in NV-gebieden is een gerichte en efficiënte inzet van stikstof noodzakelijk.
Aanvullende bemesting aardappelen
Aardappelen hebben doorgaans een basisbemesting ontvangen met organische mest (bijvoorbeeld circa 35 m³ rundveedrijfmest) en een aanvullende gift van 50–60 kg N bij of kort na het poten. Voor de knolgroeifase is vaak extra bemesting nodig; raadpleeg hiervoor altijd het bemestingsplan.
De benodigde hoeveelheid is afhankelijk van onder andere:
- Voorvrucht (groenbemesters: 10–30 kg N; gescheurd grasland: ±25 kg N per jaar gras, tot max. 100 kg)
- Bemestingsgeschiedenis van het perceel
- Organische-stofgehalte van de bodem
Is bijbemesting nodig, dan heeft het, gezien de beperkte stikstofruimte, de voorkeur de gift te verdelen in meerdere toepassingen. Op zandgronden is het bijbemestingsadvies 2 × 100 kg KAS/ha, of 3 × 75 kg KAS/ha. Deze gefractioneerde aanpak zorgt voor een gelijkmatige stikstofbeschikbaarheid en beperkt het risico op overschrijding van gebruiksnormen.
Bij aanhoudende stikstoftekorten kan bladbemesting worden ingezet als correctie, al is opname via de wortel aanzienlijk efficiënter. Bodembemesting blijft daarom de voorkeursmethode. Door lagere mestgiften in het voorjaar is er op de zandgronden een verhoogde kans op tekorten aan micronutriënten, zoals borium en mangaan. Tijdige monitoring hiervan is essentieel voor een goede knol- en gewasontwikkeling.
Bron: Delphy



