Sporenelementengebrek in mais: controleer mangaan en borium op tijd

Doordat er in totaliteit steeds minder organische mest mag worden toegepast, wordt ook de aanvoer van sporenelementen lager. Mangaan is hier een voorbeeld van. In mais kan dit leiden tot gebreksverschijnselen; tot het 8-bladstadium is een goed moment voor een aanvullende bladbemesting.
Mangaan is een essentiële voedingsstof en nodig voor de groei en ontwikkeling van de maisplant. Het speelt een belangrijke rol bij de fotosynthese en aanmaak van lignine in de celwanden (stevigheid). Mangaangebrek treedt vooral op bij koud weer, hoge pH (>5,7) en droogte. Ook een hoog fosfaatgehalte in de grond kan tot gebreksverschijnselen leiden. Mangaangebrek is niet altijd goed zichtbaar, maar laat zich herkennen doordat jong blad slap wordt en dof verkleurd. Tussen de nerven verkleurt het blad naar lichtgroen die in een later stadium over kunnen gaan tot witte necrotische strepen.
Is er sprake van gebreksverschijnselen, voer dan zo snel mogelijk een bladbespuiting uit met een mangaanhoudende meststof (mangaansulfaat, mangaanchelaat, mangaancarbonaat).
Naast mangaan is het ook goed het sporenelement Borium in beeld te hebben. Mais is gevoelig voor boriumgebrek. Bij een tekort krijg je een onregelmatige bezetting van de pitten op de kolf. Wanneer alleen de top van de kolf geen pitten heeft is dit een gevolg van droogte. Zijn er zichtbare symptomen (onregelmatige, witte/gele vlekken tussen de nerven van vooral de jongste bladeren), dan is het advies in het 8- tot 9-bladstadium een bladbespuiting uit te voeren met een boriumhoudende meststof.
Bron: OCI



