Aandacht voor opheffen bodemverdichting bij wintergraanzaai

De tijd van het oogsten van rooigewassen is weer aangebroken. Afhankelijk van de oogstomstandigheden is het niet ondenkbaar dat hierbij enige mate van bodemverdichting optreedt. Wordt er aansluitend een wintergraan geteeld, dan is bij de zaaibedbereiding de inzet van een woelpoot een optie deze verdichting aan te pakken.
Bij het zaaien van wintergranen wordt vaak gebruik gemaakt van een rotorkopeg en zaaicombinatie. Afhankelijk van de zwaarte van de grond wordt er ook nog vooraf geploegd. Wordt er gekozen om niet te ploegen, maar alleen te werken met een kopeg-zaaicombinatie, dan is het nog een optie aanvullend een woelpoot in te zetten. Dit is met name interessant voor gronden waar tussen de 20 en 40 cm diepte sprake is van enige verdichting (80-90% van de kleipercelen). Kies in dat geval voor een woelpoot die alleen belucht en niet teveel breekt (bijvoorbeeld een paragrubber-type). Om hiermee een diepere grondbewerking uit te voeren mag tot de diepte waarop de grond wordt belucht (bijvoorbeeld op 32-35 cm) de vochttoestand niet te vochtig te zijn. Ook moet er voldoende trekkracht beschikbaar zijn om het werk uit te voeren. Diepe grondbewerkingen zijn overigens alleen succesvol als ze gecombineerd kunnen worden met een gewas dat ook zo diep wortelt; het bestendigt de bewerking. Een wintergraan kan op deze manier met zijn wortels de diepte in groeien.
Het inzetten van de woelpoot heeft zin tot ongeveer eind oktober. De wintertarwe- en gerst heeft dan voldoende tijd zich te ontwikkelen, zodat ze met de beworteling dieper in het profiel kan komen. Graan dat bijvoorbeeld in december wordt gezaaid, komt qua beworteling pas in het vroege voorjaar op diepte. Dan is een eventuele bewerking allang weer “ingezakt”. Wordt er vanaf begin november gezaaid en de omstandigheden zijn te slecht om ook de woelpoot aan de combinatie toe te voegen, dan is een woelpootbewerking theoretisch separaat in het voorjaar ook nog mogelijk. De praktijk leert echter dat de omstandigheden zelden gunstig genoeg zijn, want ook dan geldt dat het tot op bewerkingsdiepte niet te nat mag zijn om versmering in de bodem en spoorvorming op het perceel te voorkomen.
Bron: Delphy, OCI

