Weet wat er in de mest zit en voorkom verrassingen
Nu het bemestings- en grondbewerkingsseizoen weer schoksgewijs op gang komt, zijn er ook weer de bekende afwegingen rondom het gebruik van organische mest, kunstmest of een combinatie daarvan. Veel keuzes zijn door telers al gemaakt; de meesten die drijfmest willen gebruiken hebben hun voorbereidingen hiervoor getroffen. Of er nu bemest wordt vanuit een silo, mestput, mestzak of via directe aanvoer: het blijft essentieel om te weten wat er precies in de mest zit.
Een putmonster nemen is vaak al zeer waardevol. Dit is niet alleen van belang om te bepalen hoeveel mest er precies kan worden aangevoerd, maar vooral ook omdat een uitgebreid monster inzicht geeft in de aanwezige mineralen. Een overschot of tekort daarvan kan tijdens het teeltseizoen tot vervelende verrassingen leiden.Een voorbeeld van een mogelijke vervelende verrassing is de aanwezige hoeveelheid van het element chloor. Chloor komt van nature in kleine hoeveelheden in mest voor, maar kan bij hogere giften een remmend effect hebben op de opbrengst van vooral aardappelen. Bij consumptie- en zetmeelaardappelen kan een te hoog chloorgehalte zorgen voor een lager onderwatergewicht met als gevolg afkeur of verlies van zetmeelopbrengst. De boodschap van dit voorbeeld is dat niet alleen de hoofdelementen in de mest van belang zijn, maar dat ook micronutriënten een grote invloed kunnen hebben op de uiteindelijke opbrengst en kwaliteit.
Timing en methode van uitrijden
Niet alleen de samenstelling van de mest is belangrijk, ook de uitrijdmethode en het juiste tijdstip spelen een cruciale rol in het slagen van de teelt. Hoewel de bovengrond soms al droog lijkt, betekent dit niet altijd dat de ondergrond dat ook is. Te vroeg starten kan leiden tot verdichting van de onderlaag of tot versmering van de bodem. Beide effecten kunnen het hele seizoen nadelig doorwerken. Het is goed om te beseffen dat u maar één keer de kans heeft om het seizoen goed te beginnen.
Daarnaast is het voor een optimale benutting van de nutriënten van belang dat de mest goed in de grond wordt gebracht en voldoende wordt afgedekt. Mest die te dicht aan de oppervlakte ligt, stoot ammoniak uit; vervluchtigde ammoniak komt niet ten goede aan het gewas. Dit geldt bij zodebemesting in gerst en tarwe nog sterker. De bodem moet goed begaanbaar zijn om schade te beperken. Zodebemesting geeft altijd enige gewasschade, maar financieel is het in veel gevallen toch de moeite waard. Bemesting in deze gewassen kan worden uitgevoerd tot het moment dat de tweede knoop voelbaar is. Daarna wordt de schade te groot en is doorgaan met uitrijden geen optie meer.
Bron: Delphy



