Nmin-monsters geeft sturing aan stikstofbemesting start teeltseizoen
De maanden februari en maart zijn de maanden waarin op vrijwillige basis veel Nmin-grondmonsters worden genomen. Voor gecertificeerde teelten, zoals bij Planet Proof, is dit zelfs verplicht. Weten wat er na de winter nog aan stikstof in de bodem zit, is belangrijk voor het maken van een goed bemestingsplan om daarmee de bemesting tijdens het groeiseizoen te kunnen optimaliseren. Houd voor dit plan daarnaast ook rekening met bijvoorbeeld de nalevering vanuit groenbemesters.
De ervaring leert dat, zeker bij Niet Kerende Grondbewerking (NKG), groenbemesters veel stikstof vasthouden. De winter is bijvoorbeeld in het Zuidwesten relatief droog verlopen; tussen 1 november en 1 februari viel in Westmaas 95 mm minder neerslag dan het 16-jarig gemiddelde. Hierdoor blijft er doorgaans meer stikstof in de bodem achter.
Bij kruisbloemige groenbemesters die geklepeld zijn of kapotgevroren, is de eerder opgenomen stikstof al meetbaar in de bodem. In andere groenbemesters is de stikstof meer organisch gebonden (zie nevenstaande tabel). Vooral in grasachtige groenbemesters komt de stikstof geleidelijk en later vrij. Dit is gunstig voor late gewassen zoals frietaardappelen, maar minder geschikt voor suikerbieten. Het maken van een goed bemestingsplan vraagt dus om het meenemen van al deze factoren.
Tabel. Korting op de N-gift na onderwerken van een groenbemester (1) (kg N per ha).
| Type groenbemester | zonder Nmin-meting | met Nmin-meting | Onderwerken |
|---|---|---|---|
| Kruisbloemigen | 30 | 0 | 40 |
| Vlinderbloemigen | 60 | 40 | 60 |
| Grasachtigen en overige | 30 | 20 | 40 |
1 De korting geldt voor een goed ontwikkelde groenbemester met een N-opname in de bovengrondse delen van circa 80 kg N per ha. Dit wordt bereikt bij een vroege zaai (tweede helft augustus) of na oogst van de dekvrucht en bij gunstige groeiomstandigheden in de nazomer en herfst. Voor een licht ontwikkelde groenbemester kan de helft van de in de tabel genoemde N-korting worden genomen, uitgaande van een N-opname in bovengrondse delen van circa 40 kg N per ha. Dit wordt bereikt bij een late zaai van de groenbemester of oogst van de dekvrucht en/of ongunstige groeiomstandigheden in nazomer en herfst.
Bron: Delphy

