Groenbemesters: enkelvoudig, meervoudig of mengsel?
Met de oogst van de eerste gewassen, is het seizoen van de groenbemesters weer aangebroken. De meeste tulpen en tweedejaars plantuien zijn gerooid, de wintergerst is gedorsen, de eerste vroege aardappelen liggen bij de consument en ook de wintertarwe is gemiddeld ruim 2 weken eerder toe aan een gang door de combine. Tijd dus voor de inzaai van een groenbemester, maar welke kies je?
De keuze aan groenbemesters tegenwoordig
is reuze. Kies je een enkelvoudige groenbemester, een meervoudige groenbemester of zelfs een mengsel. Leidend in deze keuze is de vraag of er specifiek een risico is op het verminderen of juist vermeerderen van bepaalde aaltjes in de bodem. Het soort aaltjes dat in de bodem kan voorkomen heeft een directe relatie met de zwaarte van de bodem.
Op (matig) lichte zavelgrond tot zo’n 20-25% afslibbaar kunnen eigenlijk alle aaltjessoorten voorkomen: de aardappelmoeheid alensoorten Globodera rostochiensis en Globodera pallida, bietencystenaaltjes (wit en/of geel), wortelknobbelalen, wortellesiealen en vrijlevende alen. Op een kleigrond vanaf 25% afslibbaar kunnen alleen de aardappelmoeheidsaaltjes (AM), de bietencystenaaltjes (BCA) en de stengelaaltjes zich handhaven in de bodem.
Dat betekent bijna ook automatisch dat op de (matig) lichte zavelgronden tot 25% erg goed gekeken moet worden welke groenbemesters worden ingezet. Neem in je keuze ook mee of je perceel valt binnen of grenst aan Meloidogyne chitwoodi (maiswortelknobbelaaltje) aangewezen gebieden. Dit aaltje is een quarantaine-organisme, dus daar wil je geen enkel risico mee lopen. In het geval dat je rekening wil/moet houden met chitwoodi, dan blijft er qua groenbemesterkeuze niet veel meer over dan een dubbelresistente bladrammenas met zowel resistentie voor bietencystenalen (BCA) als resistentie voor chitwoodi.
Gras als groenbemester is een prima keuze als structuurverbeteraar én als mogelijkheid om eventuele wortelonkruiden in het nazomerseizoen nog aan te kunnen pakken met groeistoffen. Echter, grassen zijn ook vermeerderaars van diverse soorten wortelknobbelaaltjes zoals de naasi, fallax en evt. chitwoodi. Voor lichte zavelgronden is het dus sterk de vraag om te kiezen voor gras, voor zware zavel en de kleigronden is het een mooie keuze.
Zelf mengen

Je kunt desgewenst zelf enkele soorten mengen tot een meervoudige groenbemester; je hebt daarbij dan regie op wat er in het mengsel komt. Vrij neutrale groenbemestersoorten zoals vlas en klaversoorten (uitzonderingen op enkele aaltjes) kunnen als mengpartner mee met bijvoorbeeld bladrammenas of gele mosterd. Wil je nog meer soorten in het mengsel, dan zijn er eventueel ook diverse kant en klare mengsels verkrijgbaar. Voordeel van meervoudige groenbemesters en mengsels is dat er meer diverse wortelgroei plaatsvindt met ieder hun eigen wortelexudaten. Daardoor wordt een breder bodemleven aangetrokken dat zich bovendien beter kan ontwikkelen. Ook is er sprake van een meer diverse structuurverbetering dan bij enkelvoudige groenbemesters.
Bron: Delphy



