Gewas, ras en N-bodemvoorraad
Via de BO-Akkerbouw is er vanaf september een grote Nmin campagne gestart om de stikstof te meten die aan het einde van een teelt is achtergebleven in de bodem. Deze monsters zullen vanaf 15 oktober tot 30 november worden genomen op de percelen die zijn ingetekend. Er is overweldigende vraag, waardoor het aantal percelen die maximaal kunnen meedoen al ruimschoots is gehaald voor het verstrijken van de aanvraagperiode.
Aan de hand van de uitslagen van deze monsters kan dan met een adviseur het analyseresultaat besproken worden. Dan is het goed om een aantal zaken van tevoren al benoemd te hebben die mee kunnen helpen in de discussie over de monsteruitslag voor stikstof.
Allereerst geldt dat voor veel percelen de oogst al ruimschoots klaar is voor de bemonsteringsperiode. Neerslag en door oogstwerkzaamheden compact gereden percelen hebben dan al hun invloed kunnen hebben op de stikstofvoorraad in de bodem. Door plasvorming en waterverzadiging kan er versnelde denitrificatie optreden in kleigronden.
Denitrificatie op kleigrond
Exacte snelheden van denitrificatie op kleigronden zijn niet te geven en is afhankelijk van de bodemstructuur in de bouwvoor en daaronder. Daarnaast speelt de grondwaterstand een rol. Vaak is er bij plasvorming sprake van korte piekmomenten met extra denitrificatie. Dan kan zelfs 1 kg N / ha per dag denitrificatieverlies worden gehaald. Voor elke grondsoort geldt dat er meer of minder risico is afhankelijk van de conditie en management die erop gepleegd is.
Lichte zavelgronden in combinatie met een hoog percentage silt (groter dan 40%) zijn sowieso ook gevoeliger voor denitrificatie, maar aan de andere kant ook geschikter om de winter over groenbemester te telen. Daardoor wordt meer stikstof gebonden en vind er minder denitrificatie plaats. Wordt er geen groenbemester geteeld op zulke gronden, dan treedt door denitrificatie juist veel stikstofverlies op en zal de Nmin in het voorjaar bijzonder laag zijn.
In de praktijk loopt over een heel winterseizoen de denitrificatieverliezen behoorlijk op maar kan wel enorm variëren afhankelijk van de situatie en bodemgesteldheid. Gedacht kan worden aan een range van 50-150 kg N. De minste hoeveelheid bij gebruik van groenbemesters in combinatie met een uitstekende bodemstructuur tot een kale grond die compact van structuur is en waar grondwaterspiegel in de winter tot zo’n 50 cm beneden maaiveld kan komen.
Gewas- en rasverschillen
Terug naar de Nmin monster in het najaar betekent dat er ook al een stukje stikstofverlies heeft kunnen optreden tussen het oogstmoment en het monsterprik moment op het perceel. Is het in die periode behoorlijk nat geweest op het perceel, zal de Nmin al lager zijn. Dat is wel goed om te bedenken en mee te nemen in de discussie.
Daarnaast is het ook van belang om ook steeds weer in het achterhoofd te houden dat elk akkerbouwgewas zijn eigen stikstofefficiëntie kent. Er is in het verleden (90-er jaren) onderzoek naar gedaan (met toenmalige rassen van een gewas). Heden ten dage kennen we veelal andere rassen, die in een aantal gevallen stikstofefficiënter zijn geworden.
Van aardappelen en van uien is in het algemeen bekend dat zij na de oogst rijke grond qua stikstof achterlaten. Dat valt vooral te verklaren uit hun matige stikstofefficiëntie die deze teelten nou eenmaal in hun genen hebben. Echter binnen die groep zijn wel degelijk verschillen tussen rassen waarneembaar. Er zit in de stikstofbemesting van een Agria een behoorlijk verschil met bijvoorbeeld een Innovator. Het verschil kan vooral verklaard worden uit een betere of juist meer gebrekkige bewortelingscapaciteit van een ras. Door een betere beworteling van een Agria is deze efficiënter en heeft dus minder stikstofbemesting nodig als een Innovator die behoorlijk meer moet krijgen om aan zijn opbrengst te komen. Met andere woorden, het lukt een Agria plant dus beter om op meer plekken in de bouwvoor mineralen op te nemen.
Maar in de hele discussie over efficiënter bemesten om minder stikstofverliezen naar het oppervlaktewater te krijgen schuilt wel het gevaar van een te schrale bemesting met stikstof in deze bespreking over de analyseresultaten van de Nmin op een perceel. Natuurlijk streven we naar een zo’n optimaal mogelijke bemesting van onze gewassen, echter er dient wel degelijk meer bemest te worden om de stikstofefficiëntie te compenseren. Dan is het volledig logisch als er een Nmin na de teelt over blijft. Stap niet in de valkuil om dus te streven naar een dusdanige bemesting dat deze gelijk is aan de opname en onttrekking van het gewas om een zo laag mogelijke Nmin na de teelt over te houden. Dat zal namelijk zorgen voor een opbrengstvermindering.
Besparen bij meest efficiënte gewassen

Stikstofefficiëntie (Bron: BO-Akkerbouw Stikstofopname akkerbouwgewassen)
De sport zit dus vooral in het inschatten van hoeveel meer stikstof nodig is voor een gewas boven de opname rekening houdend met allerlei “posten”. Deze posten zijn een inschatting op basis van het resultaat van de bodemsamenstelling, de bodemgezondheid en bodemstructuur, mestgebruik, groenbemesters en rustgewassen, resulterend in het stikstofleverend vermogen van de verschillende posten in het groeiseizoen. Dan blijft er nog een stukje over wat dan bijgegeven moet worden om een beoogde opbrengst te behalen.

Nutriëntenontrekking per ton veldgewas
Daar waar de totale stikstofruimte in de bedrijfsnormen onder druk staan, kan dus het beste stikstof bespaard worden in de meest efficiënte gewassen. Dat zijn voor veel akkerbouwers de granen en de suikerbieten. Ook kan gedacht worden aan andere manieren van bemesten door bijvoorbeeld fertigatie.
In de tabellen nog een aantal kengetallen die kunnen helpen in de discussie aan de keukentafel komende najaarsperiode. Veel succes met de bespreking van de resultaten !