Vroege zaai groenbemesters verbetert stikstofopname
Hoe eerder een groenbemester gezaaid wordt, hoe meer stikstof er wordt opgenomen. Een vroeg gezaaide groenbemester (vóór 1 september) ontwikkelt zich normaal gesproken tot een forser gewas dat beter in staat is stikstof op te nemen dan een laat gezaaide. Afhankelijk van de voorvrucht is hiervoor in eerste instantie wel een substantiële N-gift nodig.
Bladrammenas als voorbeeld
Er is voor bladrammenas over het algemeen geen N-gift nodig na zaaiuien, conservenerwt, bruine boon, zomerveldboon, droge erwt, spinazie, ijssla. Na welke hoofdteelten wel stikstof nodig is, is af te lezen in de nevenstaande tabel.
Tabel: N-richtlijnen voor bladrammenas, afhankelijk van zaaidatum
| Na hoofdgewas | Zaaidatum | |||||
| 15 juli | 1 aug | 15 aug | 1 sep | 15 sep | 1 okt | |
| wintergranen* | 110-120 | 80-95 | 45-60 | 20-35 | 0-20 | 0 |
| zomergranen* | - | 100-110 | 65-80 | 40-55 | 20-35 | 0-20 |
| koolzaad | - | 0-30 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Poot- en vroege consumptieaardappelen | - | 0-25 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| 2e jaars plantuien | - | - | 0-25 | 0 | 0 | 0 |
| Stamslaboon | - | - | 0-20 | 0 | 0 | 0 |
| Tulpenbollen | 50-70 | 20-40 | 0 | 0 | 0 | 0 |
* Uitgaande van een graanteelt waarbij het stro is afgevoerd. Voor achterlaten stro is na wintergraan 15-20 kg N extra nodig en na zomergraan 10 kg N extra. Voor stikstofrichtlijnen van andere groenbemesters, kijk dan op de website Handboek Bodem & Bemesting.
Juist na de teelt van conserven (vlinderbloemige) of na de vroeg vrijkomende teelt van 2e jaars plantuien is de groenbemester belangrijk om stikstof vast te leggen die anders tijdens de winter verloren kan gaan. Na de teelt van graan en zeker bij het achterlaten van stro is echter een aanvullende stikstofgift voor een goede ontwikkeling van de groenbemester nodig. Stro gebruikt namelijk ook stikstof voor de vertering. Alleen voor niet-vlinderbloemige groenbemesters is er een N-gebruiksnorm als de groenbemester vóór 1 september aansluitend na graan, graszaad of koolzaad wordt gezaaid en de groenbemester niet voor 1 februari wordt vernietigd. Zet eventueel nog beschikbare N-ruimte zo effectief mogelijk in en geef niet meer dan nodig is voor een goede groei van de groenbemester.
Er zijn situaties dat er geen groenbemester wordt gezaaid, of de zaai wordt uitgesteld zoals bij de al genoemde profielverbetering. Soms ligt de focus op een goede bestrijding van (wortel)onkruid. Bij een vroeg vrijkomend perceel is het nog wel mogelijk om een grasgroenbemester te zaaien en de wortelonkruiden later in het gras te bestrijden. Zodra er drijfmest van 1 augustus t/m 15 september t.b.v. de groenbemester wordt ingezet, moet deze uiterlijk 15 september zijn gezaaid en moet de groenbemester minimaal 8 weken blijven staan. Hoe later de groenbemester wordt gezaaid, hoe minder het wortelonkruid zich nog kan ontwikkelen. Voor een effectieve onkruidbestrijding is het dan beter om geen groenbemester te zaaien. Soms wordt er in de praktijk geen groenbemester na vroege conserven gezaaid omdat er in het najaar wintertarwe wordt gezaaid. Mogelijk dat de wat eerder gezaaide wintergerst iets meer van de potentieel beschikbare stikstof in het najaar opneemt dan tarwe. Kijk echter nog eens kritisch naar de gewasrotatie in het bouwplan om de aanwezige stikstof na de vroege conserventeelten zo goed mogelijk vast te houden. Dat geldt zeker voor de NV-gebieden met de lagere N-gebruiksnormen.
Bron: Delphy

